|
|
|
| Portret van Kurt Eggers |
|
Dichter, cultuurrevolutionair en politiek soldaat.
| Kurt Eggers |
 |
Geboren 10 november 1905 in Berlijn. Vanaf 1916 tot 1918 schoolopleidingsschip “Berlijn”. Januari 1919 in de strijd tegen de Spartakisten. Maart 1920 ordonnans bij de Kapp-staatsgreep. 1921 Freikorps- Bestorming van de Annaberg op 21 mei 1921 in het zelfbeschermingsbataillon Schwarze Schar. Bergerhoff.
1924. In dienst van de Reichswehr. Kanonnier in de 5e batterij van het 3e Pruisische veldartillerieregiment in Frankfurt aan de Oder. 1927 tot 1930 Studie theologie in Rostock en Berlijn. Oktober 1930 vicaris en hulpprediker in Kratzeberg (Mecklenburg). 1933 Omroeper bij de rijkszender Leipzig. Geboorte van zijn zonen Jorg 1934, Wulf 1936, Gotz 1939 en Jens 1941. 1934 bij de rijkszender Stuttgart. 1935 In diensttreding bij de algemene SS. 1936 Hoofd festiviteiten bij het Ras-en Siedlungshoofdkantoor. 1937 Lid van de NSDAP. 1938 Landelijk leider van de Rijkskamer voor Literatuur in de gouw Westfalen-Zuid. 1939 tot 1940 soldaat in het leger, Panzerjäger, speciale rondleider in het Oberkommando van de Wehrmacht. Medewerker van het partijbestuur (cultuurpolitieke vraagstukken).
Vanaf september 1942 vrijwillig bij het SS panzer-regiment Wiking-Tankcommandant-Peletonscommandant. 13 augustus 1943 gesneuveld in Klenowoje, bij de verdediging van Charkow. September 1943 bevordering door Heinrich Himmler wegens bijzondere dapperheid tegen de vijand tot SS-Obersturmführer van de reserve van de Waffen-SS. 26 september 1943 eerbetoon van de gesneuvelden door de NSDAP in de Kroll-Opera te Berlijn.
Op 31 oktober 1943 ontvangen de oorlogsverslageenheden van de Waffen-SS de erenaam Kurt Eggers van Adolf Hitler. Onderscheidingen van Kurt Eggers: Adelaar 1 en 2 Silezië, ijzeren kruis 1e en 2e klas, tankonderscheidingsteken, oorlogskruis van verdienste, gewondenonderscheiding.
Enkele bijzondere uitspraken: Zijn levensmotto: de tijd is gekomen, dat aan de sterken alle macht gegeven wordt. En Sterk is hij, die als meester van zichzelf in de gemeenschap kan leven. Tenslotte: Ouder dan kerken en kloosters is het land van onze vaderen. Sterker als de wijding van priesters verbindt de band van het bloed. Ons rijk, broeders, is van en in deze wereld. Dat rijk gezond op te bouwen is een opdracht van God.
Scholingsartikel Kurt Eggers. Over dit scholingsartikel over Kurt Eggers het volgende: Zijn levensloop staat vermeld op een aparte bijlage, waarop ook enkele markante uitspraken van hem. Uit het Duits hebben wij drie artikelen in het Nederlands vertaald te weten:
De Germaanse ziel Over de oorlog Het woord tevergeefs
We dienen te bedenken, dat Kurt Eggers behalve soldaat ook dichter was, vandaar zijn taalgebruik. Maar hij was een fanatieke politieke soldaat, een overtuigd nationaal-socialist. Ik vond de kennismaking met zijn werk en denkbeelden heel boeiend.
Kurt Eggers als student in Rostock |
 |
De Germaanse ziel De Germaanse mens en de Germaanse ziel komen uit het met grauwe nevelsluiers bedekte hoge Noorderland, dat koortsachtig verlangt naar een schraal zonnetje en naar dampend bruine aarde met bladeren bedekt. Vloek en genade zijn deel van de ziel van de Germaanse mens. Vloek over de zwakkere, die tengevolge van ondoorgrondelijke wetten van het bloed te gronde gaat aan zijn onvervulbaar verlangen. Genade voor de sterke, die door strijd zijn verlangen in overwinning weet om te zetten. De onvermijdelijke strijd van de Germaan is de wezenlijke mythe van de Germaanse ziel. In de geheimzinnigheid van schemer en morgenrood ontstaat de zang van Edda en de noordse vormgeving van de ballade. In de ziel van de Germaanse mens is het noordse aanvoelen van de dingen en de samenhang ervan volgens de afstamming van het bloed ontstaan. Voor een vreemde is de Germaanse ziel in zijn tweeledigheid niet te vatten, nooit zal de niet-Germaan het verband in de Germaanse ziel kunnen zien tussen licht en nevel, tussen zon en donkerte. Misschien is de Germaan zichzelf nauwelijks bewust van zijn bijzondere eenheid. Slechts weinige begenadigde noordse mensen hebben kunstzinnig vorm kunnen geven aan het opkomende gloeien van de Germaanse ziel.
Duits in zijn volle betekenis in het beleven van de dingen en de samenhang ervan is de schilderkunst van Rembrandt, Germaans is het ondergaan van licht en donker in de muziek van Beethoven en Bach.
Het is onverklaarbaar Germaans, dat in het beleven van de mooiste schoonheid en de diepste zaligheid de noordse mens ondoorgrondelijk droevig wordt, terwijl hij eveneens op onverklaarbare wijze in de hardvochtigheid hemelse snaren hoort klinken.
De Germaan is een mens van vurig verlangen. De duizend Germaanse verlangens lopen voortdurend gevaar om verraden en verkocht te worden, nergens anders wordt het gevecht tussen de wereldbeschouwingen zo verbitterd gevoerd als in Germaans gebied. De inzet ervan is de ziel van de Germaan.
De Germaan is zowel kind als strijder. In vredestijd, die dient als voorbereiding op de oorlog loopt de Germaanse mens met heimelijk gelukkig lachende ogen over de groene akkers, door het ruisende woud, langs het lichtgolvende meer en droomt de droom van verlangen naar de daad. Geheimzinnige gedachten stijgen op uit de donkere diepten van zijn bloed. Door een onverklaarbare drang laat hij de ploegschaar rusten en kijkt in de verte, die gevaar en avontuur, nood en offer, overwinning en wonden in zich bergt. Naderhand kijkt hij naar vrouw en kind en verlangt naar het zwaard.
Dezelfde strijdvaardige gevoelens vertonen de jongens en de mannen. En erg is het voor de Germaan, als zijn zwaard breekt, als zijn oorlogszuchtige arm verlamd raakt, hij sterft aan het verraad van zijn ziel. Bitterheid en teerheid worden in de Germaanse ziel tot een eenheid, dat is geen begenadiging, maar dat is de overwinning van zijn ziel. Strijd is zijn leven, vrede zijn ontspanning, de zon is zijn verlangen, schemer zijn bestaan. De schrielheid van het Germaanse landschap, de armoede van de Germaanse begroeiing, de zwaarbewolkte Germaanse hemel, dat alles is gave en genade. Niets wordt de Germaanse mens moeiteloos in de schoot geworpen, alles wat hij bereikt verkrijgt hij door strijd en overwinning, uit bloed en offer. Een zware last is het dubbele in zijn wezen, goddelijk groot is de vorming tot eenheid. Het uur, waarop de Germaanse ziel tot helder bewustzijn, tot dadendrang komt is nog niet gekomen, maar nadert wel. Als de Germaanse ziel tot handelen ontwaakt is zal daarop de verovering van leefruimte volgen. Door het overwinnen van de vaagheid en verdeeldheid en uit de geboorte van de eenheid zal de Germaanse heerschappij ontstaan. Het is het uur van de schemering, de schemering tussen dag en nacht. Voor de zwakken is dit uur vol van huivering, maar voor de sterke is dit een uur van veel hoop en geloof. Het is het uur van de schemer voor het morgenrood. En als de Germaanse ziel feestviert vanwege zijn verrijzen, schijnt de zon over het wonderschone en met veel geheimen gevulde Germaanse land.
Over de oorlog Als het woord oorlog valt, ontstaat er een onoverbrugbare kloof tussen de mensen, een kloof, die aan een kant alle mensen verzamelt, die genieten bij de woorden strijd en wapengenot en aan de andere zijde mensen neerzet, die huiveren van het schouwspel van dood en verderf. De mensen strijden met elkaar over levensvisie en theorieën en proberen elkaar te overtuigen van hun opvattingen maar bij één aspect vindt er een scheiding van de geesten plaats: dat is het begrip oorlog. Hier staat de strijdlustige, inzetbare en moedige groep van heersers onverzoenlijk tegenover de laffe groep van slaven. De volledig radicale oorlog kent geen tussenoplossing, geen compromis. Zoals de storm waait de wolk van oorlog over landen en volken en doet het kaf van het koren verwaaien en vernietigt wat er op de mensenwereld nog overeind staat. De oorlog is als de witte gloed van de smeltkroes. De slakken verkolen maar van het metaal blijft datgene over, wat echt is, waar en rein.
Zoals het water van een geweldige golf is de oorlog. Wat opgezwollen is, pafferig en onbeholpen moet zinken en ondergaan, wat op stevigheid is gebouwd en betrouwbaar is zwemt als een bootje over de wateren. De oorlog brengt de echte waarden aan het licht. Waarden, die onafhankelijk zijn van de schijnwaarden op de dagelijkse markt. Manhaftigheid, tucht, zelfoverwinning, dienen en offer, toewijding en grootheid zijn waarden die de oorlog vraagt, waarop mensenharten gemeten, gewaardeerd of afgewezen worden. Het is niet waar, dat de oorlog de mannen doet verruwen, in ieder geval trekt de oorlog bij hen het masker van het gezicht de lafaards worden herkend als lafaards, de edelen als edelen. Zeker, de oorlog is gruwelijk en gewelddadig, de oorlog vermoordt onschuldige en verwoest het vredelievende. Verschrikkelijk is dan ook het natuurgebeuren met zijn onverklaarbare wetten, gruwelijk is dan zelfs de scheppende God, zonder wiens toedoen geen mus van het dak valt en geen haar wordt gekrenkt. Waar waarden worden vernietigd daar ontstaan nieuwe waarden, dat is de geheime bestemming, die achter het vernietigende van de oorlog schuil gaat.
Er zijn oorlogszuchtige en niet-oorlogszuchtige volken. De oorlogszuchtige, dat zijn zij, die door strijdlust en niet belust op buit ten strijde trekken- zij zijn bestemd als heren en bezitters van de aarde. De niet-oorlogszuchtigen-dat zijn zij, die in alle gevallen, bedacht zijn op het bijeen houden van hun bezit en alleen voor verdediging het roestige zwaard uit de schede trekken- zijn veroordeeld te wachten, totdat er een strijdlustig volk komt om hun levensruimte in bezit te nemen. Een waarschuwing voor de volken, die vet van de buit gaan genieten van een leven zonder strijd- de kiem van het verderf en een langdurige ziekte en smartelijk sterven wacht hen. Gewapend zijn is de schranderheid van de man. De dood niet vrezen is zijn kracht. Er breken ook tijden van rust aan voor de strijders. In die tijden verzamelt hij krachten, heelt hij zijn wonden, maakt zijn wapens weer in orde, kijkt naar zijn huis en haard en verheugt zich over zijn vrouw en kinderen. Tijden van rust zijn tijden van het bereid zijn. Als de periode van oorlog begint, als naties marcheren en bloeden voor de instandhouding van hun bestaan dan begint ook het tijdperk van het heldendom, die geestelijke houding, die zonder voorwaarden achter de oorlog staat en de daad bij het woord voegt. Er bestaat een ambacht in werk en opleiding dat aangeleerd kan worden, er bestaat ook het vak van de wapens en de strijd. Nooit echter zullen zij, die vaklieden van de strijd zijn ook strijders zijn, want krijgshaftigheid komt niet voort uit weten en leren, maar uit uitverkiezing en genade, is afhankelijk van de bloedgebonden mannelijke geest. Een tijdperk van vreedzaamheid heeft geprobeerd het oorlog voeren in diskrediet te brengen, heeft de oorlogsdrift in de ban gedaan en te koop aangeboden. Maar de stem van het gericht over de volken heeft beslist, zij heeft de oorlogsgeest opgeroepen opdat die de heersers en knechten zou verzamelen, de heersers tot het leven zou brengen en de knechten in het verderf zou storten.
Het woord tevergeefs Er werd nog gevochten in Vlaanderen, Roemenië, Palestina en de moerassen van Rusland, toen voor de eerste keer een woord als een soort virus door de rijen van de strijders en niet-strijders, van de helden en lafaards sloop, het woord tevergeefs. Het woord kwam niet van heldhaftige kant. Misschien uit het hart van een vertwijfelde, misschien van een verrader, misschien ook van iemand, die daarvoor gekocht was. Zeker kwam het uit de mond van een mens, die het idee van de oorlog nooit had begrepen, die het heilige waarom van de oorlog nooit had opgepakt. Verlammend was het woord. Het doodde iedere hoop. Duitse mensen in het vaderland gingen twijfelen aan het doel en zin van het offer, dat zij brachten door gebrek te lijden, terwijl zij in stilte hoopten op het morgenrood van een mooie zonnige dag van vrede na de nacht en de stormen van de ellendige oorlog. Van menige strijder, die de pest van dit woord had begrepen, werd de arm met het zwaard vermoeid en zijn strijdlust schrompelde ineen. Dodelijker dan het machinegeweervuur, dat zijn salvo’s door de golven van aanstormende vechtende soldaten strooit, verderfelijker dan het strijdgas, dat in loopgraven en verschansingen, in granaattrechters soldaten doet stikken werd het woord tevergeefs.
Vrouwen, die hun man, kinderen, die hun vader moesten afstaan voor het leven van de natie, die hun troost in de heiligheid van het offer gevonden hadden, zodat in hun hart stille weemoed een plekje gekregen had, werden wreed uit hun evenwicht gebracht om een nieuw doodsbericht te vernemen, dat zo heel anders klonk als het eerste. Er was geen sprake meer van heldendom en oorlogslot. Smakeloze laffe woorden wilden heldenkruisen omvergooien. Toen bloedden de harten van de eenzame vrouwen en kinderen en de pas met een korst bedekte wonden sprongen weer open. Daar bespuugde een woord, het woord tevergeefs, het allerheiligste. Wat betekent dit woord eigenlijk? Het betekent alle geestdrift, waarmee een volk naar de wapens greep, alle ernst waarmee vastbesloten mannen het slagveld betraden, berustte op leugen en bedrog. Het betekent: alle moed, waarmee de soldaten zich blootstelden aan het vijandelijk vuur, alle zelfoverwinning, waarmee zij in modderige loopgraven en kapotgeschoten stellingen standhielden tegen een aanstormende vijand was van nul en generlei waarde. Bij het woord tevergeefs moeten allen, die met de gesneuvelden van de grote oorlog schouder aan schouder hebben gevochten en voor de dood gespaard bleven de vuisten laten zien en protesteren tegen het woord:
Kurt Eggers voor zijn ouderlijk huis in Stallupöner Allee 34 in Berlijn |
 |
Tevergeefs Bij het woord tevergeefs moeten allen, die een lieve dode hebben in het schaduwleger van hen, die zich voor de natie opofferden, hun stem verheffen en hun handen beschermend spreiden boven hun heiligdom. Bij het woord tevergeefs staan de doden zelf op en getuigen van hun idee en de geest van de natie beantwoordt dit met ja! Het brute woord vergeefs maakt doden en levenden te schande, evenals verleden en toekomst. De geest van de natie en de doden zelf geven ons antwoord, als wij ons waarom uitschreeuwen in de nacht van onbegrip, wanneer ons hart bidt om inzicht naar de zin van offer en toewijding. Daarom sneuvelden Duitse soldaten op het slagveld, opdat uit hun bloed, liefde en ziel een rijk van de Duitse geest gebouwd zou worden, dat sterker zou worden als de angst, stormen en bange vragen. Een rijk van bevrijders en bevrijden. Een eeuwig rijk, gebouwd op geloof en overtuiging. De dood voor de vrijheid van Duitse soldaten betekent een waarschuwing voor de worstelende mensen, is het lichtsignaal, dat de koude nacht van de slavernij licht en warmte geeft. Alle Duitse soldaten, die met hun dood de eed van trouw op Duitsland bezegelden, hebben in oost en west door hun bloed en hun graf een stukje Duitse grond veroverd juist groot genoeg om ooit een wieg met een Duits kind neer te zetten. Voor de wereld en voor God hebben zij voor de Duitse natie nieuwe ruimte gekocht en betaald met de hoogste waarde, die een mens ooit geven kan. Kruis aan kruis, heuvel bij heuvel, aarde bij aarde, een uitgestrekt Duits land, een land van toekomst en vrijheid, behoed gezegend en bewaakt en verkregen en geheiligd door dode Duitse soldaten. Dit zegt ons de geest van de natie, als we die erom vragen. Evenzo geldt dit de dode soldaten. Wij hebben een heilig testament bij ons, een erfdeel wat verplichtingen geeft. Een verkondiging en openbaring van de natie, zo bijzonder heilig en moeilijk, dat wij in het Duitse land op stap gaan om te spreken over het rijk en de vrijheid. Er bestaat geen tevergeefs, zo lang Duitse mensen in ogenblikken en dagen van gedenken aan grootheid en offer van Duitse helden hun zielen laten gaan over steden en dorpen, over weiden en velden, over hoogten en diepten van het Duitse land en over verre rijken tot aan de plekken waar de gesneuvelden begraven liggen. Er bestaat geen tevergeefs, zo lang de Duitse geestdriftige jeugd bij het gedenken van de gesneuvelden uitkijkt naar de strijd. Zo lang de wapenen worden gerespecteerd en geëerd. Er bestaat geen tevergeefs zo lang de vrijheid der natie als hoogste wet in het voelen en handelen van de Duitse mens aanwezig is. En al die Duitse soldaten, die om leven te scheppen en te bewaren stierven liggen als mijlpalen op de weg, die leidt naar de vrijheid van Duitsland. Bij het kruis, dat op de heuvels staat bidt het gehele volk. Een nieuw Duitsland, dat altaren opricht bij het idee van het gebrachte offer. Een nieuw Duitsland, dat de martelaren voor dat idee zalig gesproken heeft. Een volk, dat antwoord vond op zijn vraag naar het waarom van de offerdood. Er bestaat geen tevergeefs!
SS untersturmführer Kurt Eggers in Priwolje Juni 1943, rechts vooraan, in gesprek met andere SS Unterführern van de 2e Companie van het SS Panzer regiment “Wiking”. |
 |
Over de vrijheid van de strijder Ter herinnering aan de 60e sterfdag van Kurt Eggers
Kurt Eggers zei over zichzelf, dat de oorlog de bestemming van zijn leven is geweest. Niet zo zeer voor hem het lichamelijk beleven van de oorlog als wel het psychische aspect. Toen hij op 12 augustus 1943 in Klenowoje bij de strijd om Charkow als tankcommandant van de 5e SS Pantserdivisie Wiking sneuvelde voltrok zich zijn lot, zoals hij dat al zo vaak in zijn publicaties beschreef. Tijdens zijn leven stond Kurt Eggers vooraan bij het zoeken naar een nieuw en sterk Duitsland en als strijder voor de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van zijn volk. Hij werd op 10 november 1905 in Berlijn geboren. Hij beleefde het uitbreken van de eerste wereldoorlog al zo bewust, dat hij later schreef er moeite mee te hebben niet te mogen deelnemen aan het gevecht van zijn volk. Zo wilde hij tenminste als actief lid van de gemeenschap als cadet in Plön dienen, maar slaagde er alleen maar in toegelaten te worden tot het schoolopleidingsschip in Berlijn door het verzet van zijn vader.
Als ordonnans van zijn vroegere commandant van het schoolschip nam hij deel aan het neerslaan van de opstand van Spartakisten in 1919 en de Kapp-staatsgreep in 1920.
Hij vond zijn geestelijk tehuis in de groeperingen van het gewone volk en bestormde als ordonnans samen met zijn kameraden van het vrijkorps de Annaberg in Ober-Silezië.
Na het eindexamen doet hij korte tijd dienst bij de Reichswehr in Frankfurt aan de Oder, voordat hij aan zijn studie begint, die hij in 1930 afsloot met het theologisch examen. In de publicaties van Kurt Eggers namen naast de strijd tegen wereldbeschouwelijke vervlakking en christelijk dogmatisme zijn beschouwingen over het soldatendom een bijzondere plaats in. Zoals in al zijn werken wilde Eggers de lezer niet met tweederangs lektuur bezighouden of gezwollen pathos verspreiden, maar al zijn streven was gericht op het wakker schudden van de natie als voorbereiding van de mensen op de komende beslissende opgaven van het leven. Deze opgave vond zijn hoogtepunt in het doel zijn geliefde volk een plaats in de eeuwigheid te geven.
Toen het rijk opnieuw in de strijd verwikkeld raakte was Kurt Eggers in het begin als onder-officier in een pantser-regiment van het leger vooraan in het front te vinden. Eind 1942 werd hij op eigen verzoek geplaatst bij de SS pantserdivisie Wiking. Uit de directe ervaringen van de oorlog ontstaan zijn publicaties over de oorlog in de persoon van de soldaat.
De soldaat is bij Eggers de drager van de idee van het Rijk. Hem is opgedragen de wil van de natie tot uitvoering te brengen. Zo is in zijn ogen de oorlogvoering een soort uitbarsten in gejuich van de ziel als de houding van een sterk mens, die het verlangen naar vrijheid de voorkeur geeft ten opzichte van de verleiding van de geborgenheid. Deze plicht is verbonden met de dood en de soldaat moet door het gebied van de dood heen, want er is geen vluchten mogelijk voor de harde werkelijkheid van het leven. Zo ziet de soldaat direct het gevaar en ook de zekerheid van de nabijheid van de dood, zet de angst daarvoor tenslotte van zich af en ook de angst van het onverwachte sterven. Desondanks kan de dood van de soldaat niet zijn vriend worden. Tenslotte maakt de dood als vernietiger van het leven een eind aan al het werk. Door het overwinnen van de angst voor de dood wordt de soldaat de echte overwinnaar en toont hij zijn superieure houding. Dat ziet Eggers als de eigenlijke vrijheid van de soldaat. Het leven van Eggers moest in een daad eindigen zoals hij zelf schreef, die zijn taak in de gemeenschap waardevol maakt. Hij wilde zijn leven niet weggeven maar wilde vormgeven. Het bestaan was voor hem het tijdperk, waarin hij ten opzichte van de gemeenschap zijn plicht kon doen. Hij wilde het voorbeeld van zijn vader navolgen en niemand moest hem kunnen verwijten, dat hij tekort was geschoten in het vervullen van zijn plicht en opdracht.
Daarom was de dood voor Eggers geen verschrikking, maar aansporen tot de daad.
Naar de wens van Reichsführer SS Heinrich Himmler werd Eggers ingezet bij de uit Europese vrijwilligers bestaande 5e pantserdivisie Wiking. In Maart 1943 schreef de divisie-commandant in een beoordeling van een voorstel tot bevordering “Helemaal mee eens“. Eggers heeft harde gevechten meegemaakt en zich volledig bewezen. In een andere beoordeling van de 5e pantserdivisie Wiking staat over Eggers, dat hij opgewassen was tegen de opgedragen taken en door zijn inzet zijn kameraden wist te motiveren en mee te slepen. Ook bij zijn kameraden kwam Eggers over als een man met een brede algemene ontwikkeling en goede omgangsvormen. Natuurlijk kon Eggers zich ook bedienen van de ruwe soldaten-taal, vooral als het ging om godsdienstkwesties. De tankbemanning, waarvan Kurt Eggers deel ging uitmaken bekeek hem aanvankelijk sceptisch. Eggers was een stuk ouder dan zijn kameraden en daarbij ook nog dichter. Zij wisten echter niet, dat hij al een soldaat met ervaring was. Maar zijn kameraad Hans Fischer herinnert zich, dat ze na het eerste nachtgevecht er achter kwamen hoe Eggers in een precaire situatie de rust zelf bleef. Het kanon van de tank weigerde en kon dus niet schieten. Eggers gaf de juiste bevelen, liet 50 meter achteruit rijden en het kanon werd met een breekijzer gerepareerd zodat verder aan het gevecht kon worden deelgenomen. Zo beoordeelden de nieuwe kameraden Eggers niet alleen als soldaat maar ook als mens. Hij toonde levenservaring en was intellectueel zijn kameraden de baas, maar hij buitte dit overwicht tijdens gesprekken nooit uit. In de zomer van 1943 bezocht Eggers nog één keer zijn vaderland, neemt deel aan de bijeenkomst van dichters en bezoekt voor het laatst zijn familie en vrienden. Hans W.Hagen, een goede vriend en vertrouweling van Eggers herinnerde zich later, dat in nachtenlange gesprekken over de belevenissen in het Oosten gesproken werd over een fanatieke massa, die als een zondvloed kwam aanstormen. Iedere uiteenzetting en belevenis van Eggers was een waarschuwing voor het komende onheil. Tegenover Hans W.Hagen verdedigde Eggers zich vaak tegen het verwijt, dat het gewaagd was op jonge leeftijd al een autobiografie met de passende naam “De dans uit de rij“ te schrijven door te antwoorden: Weet je dan niet, dat ik in Rusland zal sneuvelen? Het was de 13e augustus, dat Eggers voor de laatste keer aanviel. De dans begint op de rechterflank, zo begon Eggers met de aanval. Het dorp Klenowoje werd door Eggers en zijn kameraden ingenomen. De volgende aanval zou voor de kameraden ontspanning brengen, maar sterk anti-tank vuur dwong tot een andere koers. Een voltreffer zette de tank van Eggers meteen in vuur en vlam. Hij en twee van zijn kameraden stierven in de tank. De met vele onderscheidingen overladen Eggers werd onder begeleiding van zijn kameraden bijgezet op het Wiking kerkhof in Petropawlowka. In Berlijn had op 26 september 1943 in de tot zittingszaal van de Rijksdag omgebouwde Krol-opera de rouwplechtigheid van de NSDAP plaats. Enkele dagen daarna ging ook dit gebouw in de bommenhagel van de engelse piloten in vlammen op.
Hans W.Hagen hield de gedachtenisrede en de toneelspelers Heinrich George en Lothar Koerner reciteerden uit zijn werk. Met terugwerkende kracht van 21 juni 1943 werd Eggers wegens bijzondere dapperheid tegen de vijand bevorderd tot SS-Obersturmführer bij de reserve der Waffen-SS. Op voorstel van Reichsführer SS Heinrich Himmler werden de oorlogsverslageenheden van de Waffen-SS onderscheiden met de erenaam Kurt Eggers door Adolf Hitler. In één van zijn laatste aantekeningen vatte Kurt Eggers het lot van de soldaat nog één keer in het kort samen: Maar wanneer de soldaat in de uitoefening van zijn laatste en hoogste plicht door de dodelijke kogel wordt getroffen, brengt hij vastberaden voor de gemeenschap een offer, dat deze gemeenschap verplicht in de toekomst met ontzag en verering tot het slachtoffer verder te leven en door te strijden. Ieder soldatengraf is een oproep voor het eeuwige streven naar vrijheid en recht en is een getuigenis tot het offer, dat door de plicht het bewuste leven heiligt en veredelt. Eggers wilde geen groot rouwbeklag aan zijn graf want hij wist, dat er geen voortgang bestond zonder ellende. Die grote beslissingen in de strijd van de levensbeschouwingen waren opdracht en plicht voor de toekomst van zijn volk te strijden. Kurt Eggers zag van ieder graf een oproep uitgaan. Het offer waard te zijn is het bewijs van deugdelijkheid van de nakomelingen. Deze oproerige geest, alsmaar in razende onrust van het voorwaarts gaan stierf op één van de zwaarste dagen van strijd en werd zo een symbool van echt verlangen naar vrijheid, van onvoorwaardelijke opoffering en van de revolutionaire strijd. De laatste woorden klinken ook in onze tijd nog na.
Zijn leven zal een symbool blijven van onze tijd!
Werkgroep: scholing en vorming. © NVU September 2003. Vertaald uit het Duitse tijdschrift Der Freiwillige door kameraad J.V.
|
|
  |
|
|
|